woensdag 5 september 2007

Hoofdstuk 1: Mythische wereldbeeld en natuurfilosofie

Het mythische wereldbeeld

Ooit, lang geleden liep de herder Paris nietsvermoedend met zijn schaapjes over de sappige weides. Opeens verscheen de oppergod Zeus voor zijn neus. Hij had een klusje voor Paris. Op de bruiloft van Peleus en Thetis dreigde de boel namelijk uit de hand te lopen. Dat kwam zo: Eris, de goden van de twist was niet uitgenodigd voor de bruiloft (ze zorgde namelijk altijd voor ruzie). Jammer genoeg kwam ze erachter dat het feest zonder haar plaatsvond. Ze bedacht een list. Ze wierp een gouden appel tussen de feestgangers en zei vervolgens dat de mooiste vrouw van de bruiloft het gouden kleinood zou ontvangen. Zeus moest als leider van de Goden als opperjury optreden. Zeus zag dat niet zitten. Hij wilde zijn vrouw Hera de titel van de schoonste niet ontzeggen (het was immers zijn vrouw). Athene, zijn dochter, wilde hij ook niet beledigen. En Aphrodite, die vormde ook een gevaar. Ze zou uit wraak wellicht zijn vrouw Hera kunnen inlichten over de buitenechtelijke avonturen van Zeus himself. Geen goed idee. Vandaar dat Zeus de deskundigheid van Paris inriep. Laat hem maar beslissen.
De keuze van Parijs zet het mechaniek van de ellende in werking. Let maar op: Paris kiest voor Aphrodite omdat zij hem de mooiste vrouw van Griekenland belooft. Even later blijkt Paris een verbannen koningszoon te zijn, keert hij terug naar Troje, gaat hij op reis om een Griekse vorst te straffen, belandt hij onderweg aan het hof van koning Menelaos, daar ontmoet hij Helena de mooiste vrouw van Griekenland, hij ontvoert Helena (en terecht want Aphrodite had hem de mooiste vrouw beloofd). De Grieken kwaad natuurlijk. Oorlog. Ellende. Vernietiging. Een paard van Troje. Brand. Troje in as.

De grote geschiedschrijver Thucydides meldt dat de oorlog tegen de Trojanen de eerste keer was dat de versnipperde Griekse volken iets gezamenlijks ondernamen. De oorlog betekent zo het begin van de roemrijke Griekse geschiedenis. De Grieken hebben er veel inspiratie uit geput. Zie hoe dapper en sluw onze voorouders waren! Zie welke steun ze kregen van de Goden! En zie welke menselijke fouten voor ellende hebben gezorgd.
In de Ilias en Odysseus doet Homerus verslag van de Trojaanse oorlog en haar nasleep. Het boek werd door latere generaties als een soort bijbel beschouwd. De militaire deugden van de helden strekten tot voorbeeld. Helden als Odysseus, Hekor, Ajax en Achilles zijn moedig, slim, meedogenloos, atletisch, sterk en van koninklijke bloede. Hun ondeugden (bv, overmoed en trots bij Achilles) leiden tot hun ondergang en dat biedt de jonge lezers een mooie les over hoe je je behoort te gedragen. Ook leer je van alles over de grillen van de Goden. Zie bijvoorbeeld het verhaal van de Gouden Appel.
Maar heeft de Trojaanse oorlog eigenlijk wel plaatsgevonden? Dat was een vraag die Schliemann zich ook stelde. Die twijfel heeft hem in 1870 aangespoord te gaan graven naar de resten van Troje. Als je het verslag van Homerus leest begrijp je waar de twijfel vandaan komt. Er vliegt allerlei godengespuis rond dat al toverend de boel in de war stuurt. De belangrijkste strijder Achilles zou onsterfelijk zijn omdat zijn moeder, de godin Thetis, hem in de rivier de Styx had gedoopt (op zijn Achillespees na dan). Athene helpt Achilles op het beslissende moment in zijn strijd met Hektor. Een beledigde God verlamt de Griekse oorlogsvloot door de wind te laten liggen. Een andere beledigde God zaait dood en verderf in het Griekse legerkamp door de pest te laten rondwaren. Dit kan niet waar zijn.
Dat Homerus zijn gedichten over de Trojaanse oorlog meer dan driehonderd jaar na dato opschreef, komt de betrouwbaarheid ook niet ten goede. Aan geschiedschrijving deed men toen nog niet. Dichters en priesters hadden nog vrij spel en zagen er geen bezwaar in allerlei Goden (of één almachtige God) te presenteren als verklaring van wat er hier op aarde zoal gebeurde.

Vragen bij tekst en het handboek:
1. Lees de oriëntatie op p. 257.
Probeer op basis van de oriëntatie onder woorden te brengen wat een mens- en wereldbeeld inhoudt.
2. Gebruik de bovenstaande tekst:
a. Hoe wordt het ontstaan van de Trojaanse oorlog verklaard?
b. Wat kun je hieruit afleiden uit het mens- en wereldbeeld ten tijde van Homerus?
c. Hoe zit de ideale mens eruit als we Homerus mogen geloven?
3. Waarom vinden het verhaal van Homerus over Troje niet betrouwbaar?
4. Lees tekst 1 in de bijlage. Het betreft de opening van de ‘Odysseus’ van Homerus.
a. Welke relatie tussen mensen en Goden komt in dit fragment naar voren?
b. Hoeveel controle heeft de mens over zijn lot volgens dit fragment?
c. Welke gedragsregel(s) voor de mens) kun je uit dit stuk afleiden?
d. Verdedig de stelling dat je op basis van de tekst kunt stellen dat de Grieken geloofden in een vrije wil, hoe beperkt ook.

De opkomst van de natuurfilosofie

Thales van Milete wordt bejubeld als de eerste natuurfilosoof. Deze eretitel heeft hij vooral te danken aan het succesvol voorspellen van een zonsverduistering. Daar kwam geen God aan te pas. Thales baseerde zijn voorspelling niet op een voorspellende droom maar op observatie van de hemellichamen. Dat bestuderen van de hemel was niet nieuw. De Babyloniers en de Egyptenaren deden dat ook. Verschil is dat laatstgenoemden de sterren als woonplaats van de Goden bestempelden. Thales had het niet zo op Goden. Hij introduceerde natuurkrachten als verklaring. Volgens hem vond alles zijn oorspong in water, zonder daarbij de hulp in te roepen van Oceanus, de broer van Zeus en god van het water.
Met Thales ontstaat ook de verstrooide geleerde.
‘Er wordt verteld dat Thales eens, toen hij door een oude vrouw uit zijn huis werd meegenomen om sterren te observeren, in een kuil is gevallen, en dat zijn kreet om hulp door de oude vrouw als volgt beantwoord werd: ‘Denk je dat je iets over de hemel aan de weet kunt komen, Thales, als je niet eens kunt zien wat vlak voor je voeten ligt.’
Na Thales volgen er vele andere natuurfilosofen. Anaximander heeft het over een oerstof die onbegrensd en onbepaald is. Jammer genoeg is deze oerstof niet zichtbaar. Hiermee ontstaat het verraderlijke idee dat er achter hetgeen we zien een niet zichtbare wereld schuilgaat. Anaximenes vindt dat alles uit lucht bestaat en niet uit water. Andere filosofen vinden op hun beurt dat alles bestaat uit kleine atomen. Ondanks die meningsverschillen hebben de natuurfilosofen als gemeenschappelijke kenmerk dat ze natuurkrachten als verklaring naar voren brengen. De Goden worden steeds minder belangrijk.

Vragen:
5. Lees de onderstaande bronnen 1 en 2. Geef per tekst aan waarom hier sprake is van de ideeën van natuurfilosofen.

Bron 1
‘Wanneer de aarde, na doorweekt en weer opgedroogd te zijn , opensplijt en dooreen wordt geschud door de pieken die dan in stukken breken en omlaag vallen. Daarom doen aardbevingen zich voor in perioden van zowel droogte als uitzonderlijke hevige regens.’

Bron 2: Een volgeling van Hippocrates over epilepsie
‘Deze zogenaamde heilige ziekte ontstaat uit dezelfde oorzaken als de andere, uit de dingen die het lichaam ingaan en verlaten, uit koude en zon, en uit de veranderlijke rusteloze winden (…) er is geen aanleiding de ziekte onder te brengen in een speciale klasse en haar als goddelijker dan de andere te zien; alle ziekten zijn evenzeer goddelijk als menselijk. Elk heeft zijn eigen aard en zijn eigen kracht; geen ervan is hopeloos of onhandelbaar.’

De natuurfilosofen hebben de neiging nogal duister te zijn. Ze spreken over oerstoffen als water, lucht en het onbegrensde om de wereld te verklaren. Pythagoras is helemaal een mysterieus figuur. Hij heeft veel invloed gehad op Plato, de belangrijkste filosoof uit de Oudheid.
Pythagoras leefde tussen 570 en 510 voor Christus. Hij heeft meer bedacht dan de wiskundige stelling van Pythagoras. Hij geloofde in zielsverhuizing en was vegetariër. Ook was hij leider van een mystieke sectie die door middel van het bestuderen van wiskunde de diepste geheimen van het universum konden ontrafelen. Muziek vormde daarbij de sleutel. Pythagroas ontdekte dat harmonische klanken in de muziek te herleiden waren tot wiskundige verhoudingen (Octaaf, kwart, kwint). Dat bracht hem op het idee dat getallen ten grondslag liggen aan alle ordening die in de schijnbaar chaotische natuur aanwezig is. Hij noemde dit de ‘muziek der sferen’. Dit idee heeft veel invloed gehad. De beroemde astronoom Kepler uit de zestiende eeuw was een overtuigd Pythagoreer. Kepler beschreef naar eigen zeggen de melodieën van de planeten in wiskundige vergelijkingen. Ook Plato was erg gecharmeerd van de wiskunde. Volgens hem zorgt de studie van wiskunde voor een zuivering van de ziel. Het inzicht dat je door de wiskunde verwerft in de ordening en de schoonheid van het heelal, zorgt ervoor dat je ziel even ordelijk en harmonieus wordt. Het idee dat de wereld uit getallen bestaat, zien we ook terug in onze tijd. Sla maar eens een natuurkunde boek open. De wereld staat daar beschreven in getallen. Slim hoor die Pythagoras.
Een andere duistere denker is Heraclitus. Van hem zijn een honderdtal spreuken bekend die uitblinken in vaagheid. Van hem is de beroemde uitspraak dat je nooit tweemaal in dezelfde rivier stapt. De wereld om ons heen en ook de mens zelf is namelijk constant in beweging. Geboorte, groei en dood. En overal zag Heraclitus strijd. Kijk maar naar de dierenwereld. Het is eten of gegeten worden. Ook mensen zijn continu in strijd met elkaar. Een andere vaagheids-klassieker is Heraclitus’ stelling dat de tegendelen één zijn. Zonder man en vrouw geen nakomelingen. Zonder tegengestelde tonen geen muziek. Zonder hoog geen laag. Zonder duisternis geen licht.

Plato heeft zich erg verzet tegen de duistere Heraclitus. Zijn bezwaar was eigenlijk heel simpel. Plato vroeg zich af hoe er ware en zekere kennis mogelijk was als niets hetzelfde blijft. Zijn leerling Aristoteles bracht dat als volgt onder woorden.

‘Plato was overuigd van de waarheid van de Heracliteische leer dat alle zintuiglijk waarneembare dingen op zeker moment eindigen. Wil de kennis of het denken derhalve ergens betrekking op hebben, dan moeten er bepaalde andere, permanente entiteiten zijn welke los staan van de zintuiglijk waarneembare, want er is geen kennis mogelijk over dingen die voortdurend veranderen.’

Op Plato komen we later uitgebreid terug. Hij leefde in het Athene van de 5e eeuw. Athene was toen het middelpunt van Griekenland. Daar gebeurde het. Hier liepen de grote filosofen schrijvers en politici rond. Hier ontstond de eerste democratische samenleving. Hoe dat ging kun je in het volgende hoofdstuk lezen.

Vragen:
6. Beschrijf het wereldbeeld van Pythagoras.
7. Leg uit dat Pythagoras veel invloed heeft gehad op het wereldbeeld van nu.
8. In de filosofie (en ook religie) wordt er een belangrijk onderscheid gemaakt tussen schijn en werkelijkheid.
a. Beschrijf hoe bij Pythagoras het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid gemaakt wordt.
b. Beschrijf hoe bij Heraclitus het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid gemaakt wordt.
9. Lees de tekst van Aristoteles over Plato.
a. Welke opvatting heeft Plato over waarheid.
b. Leg uit waarom Plato’s opvatting over de waarheid tot twijfels leidt over de betrouwbaarheid van de zintuiglijke waarneming.

Geen opmerkingen: