1. De lijkrede van Perikles
2. De Perzische oorlogen
3. De bloeiperiode van Athene
4. Wereldbeeld en democratie
5. De duistere kracht van Sparta
6. De Peloponnesische oorlog
7. Plato en de ideale staatsvorm
1. De Lijkrede van Perikles
In de winter van 431 begraven de Atheners de eerste doden die zijn gevallen in de Peloponnesische oorlog. De strijd tegen Sparta is losgebarsten. Kan Athene met haar vrije levensstijl, democratie en een overvloed aan feesten, zich staande houden tegen het militaristische Sparta? Twee stadstaten met verschillende opvattingen over mens en wereld staan tegenover elkaar.
De hele stad wordt in de winter van 431 betrokken in de begrafenisplechtigheid. De dappere strijders worden met eerbewijzen overladen. Hun beenderen worden in een daartoe opgerichte tent gedurende drie dagen ten toon gesteld en allen die dat willen, brengen offergaven aan hun eigen doden. Dan vormt zich een begrafenisstoet, waarin kisten van cipressenhout op wagens worden meegevoerd, voor iedere stam een kist. Een lege met dekens afgedekte baar wordt meegevoerd voor de vermisten, wier lichaam bij het bijeenbrengen der gesneuvelden niet werd gevonden. Allen die dat wensen, burgers en vreemdelingen, scharen zich bij de stoet: de vrouwelijke verwanten staan aan de zijde van het graf en bewenen de doden. Zij worden bijgezet op de staatsbegraafplaats, gelegen in de schoonste voorstad van Athene. Alle Atheners die in de oorlogen omgekomen zijn liggen daar begraven, behalve zij die bij Marathon vielen. Hun dapperheid achtten zij zo uitzonderlijk, dat de begrafenis plaats vond op het slagveld.
Als het graf met aarde bedekt is, houdt Perikles, om zijn wijsheid en algemeen aanzien door de staat aangewezen, een passende lofrede ter ere van de doden. Perikles is zich bewust van zijn moeilijke taak. Het aangezicht van de dood leidt maar al te vaak tot passiviteit, een verlammende treurnis. Maar dat kan Athene zich nu niet veroorloven. Perikles neemt zich voor de deugden van de stad Athene te bezingen en het gevaar van Sparta breed uit te meten. De Atheners hebben een wereld te winnen. Verlies tegen de Spartanen zou verlies van hun unieke levensstijl betekenen. Het vrije, bruisende Athene mag niet ten onder gaan tegen het sobere, platvloerse Sparta dat alleen maar kan vechten. Toen het ogenbik was gekomen, trad Perikles vanaf het graf naar voren en staande op een hoog platform dat was aangebracht opdat zijn stem zo ver mogelijk zou dragen over de menigte, sprak hij als volgt:
‘Over de krijgsdaden, waardoor alles achtereenvolgens werd verworven of waardoor wij zelf of onze vaders ons dapper hebben verdedigd tegen de aanval van een barbaarse of Helleense vijand, wil ik niet uitweiden; zij zijn u bekend. Liever wil eerst wijzen op de geest die deze daden inspireerde en op de staatsinrichting en gedragslijn, waardoor wij groot werden, om daarna de doden hier voor ons te eren; want ik acht het in overeenstemming met deze plechtigheid dat deze dingen worden gezegd en ik meen dat het zin heeft dat ze worden gehoord door allen hier verzameld, zowel burgers als vreemdelingen.
Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te bootsen zijn wij juist een voorbeeld voor hen. Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen en de publieke opinie eert eenieder die zich door iets onderscheidt in het openbare leven boven anderen, niet om de klasse waartoe hij behoort, maar om zijn waarde alleen. Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn aanzien ook is. Wij leven als vrije staatsburgers en in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan tegen elkander en wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt en werpen hem geen boze blikken toe, die wel geen schade brengen, maar kwetsend zijn. Verdraagzaam in onze persoonlijke omgang houden wij ons in het openbare leven aan de wet, die wij eerbiedigen. Wij gehoorzamen aan hen die telkens over ons gesteld zijn en aan de wetten, vooral aan de wetten die bescherming bieden aan de verdrukten en aan die ongeschreven wetten, waarvan de overtreding in aller ogen schande brengt.
Ook hebben wij gezorgd voor een veelzijdige verpozing voor onze geest na de arbeid door het instellen van wedstrijden en offerfeesten, het gehele jaar door, en door de fraaie inrichting van onze huizen, waarvan de dagelijkse genotvolle aanblik onze zorgen verdrijft. De stad is zo groot dat alles uit de gehele wereld er samenvloeit en wij hebben het geluk dat wij niet minder genieten van de goederen van andere landen dan de producten van eigen bodem. (…)
Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting; wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid. Rijkdom is voor ons een middel tot werkzaamheid, niet een reden tot bluf. Voor armoede uit te komen achten wij geen schande, maar een blaam niet te trachten door arbeid aan armoede te ontkomen. Wij wijden ons zowel aan onze persoonlijke belangen als aan het belang van de staat en zij die door andere dingen in beslag worden genomen schieten in kennis van de staatszaken niet te kort. Wij verschillen van anderen door de man die zich aan het openbare leven onttrekt niet te beschouwen als een rustig burger, maar als een nutteloos mens. Wij zelf beslissen en overwegen nauwgezet de staatszaken, van mening niet dat woorden de daden schaden, maar dat het schade brengt niet eerst door het woord te zijn onderricht, voordat men tot de vereiste daad overgaat. Ook hierin verschillen wij van anderen, dat wij weliswaar ondernemend zijn, maar tevens ons nauwkeurig rekenschap geven van hetgeen wij willen ondernemen. Anderen daarentegen brengt onwetendheid tot onbesuisdheid en nadenken tot aarzeling. (…)
Samenvattend verklaar ik dat onze gehele stad een leerschool is van Hellas en ik meen dat iedere Athener zich kan aanpassen aan de meest uiteenlopende levensvormen en met gratie en soepelheid zich tot een zelfstandige persoonlijkheid kan ontwikkelen. Dat dit geen ijdele frases zijn ter gelegenheid van het ogenblik, maar werkelijke feiten, dat bewijst de macht zelf van onze stad die wij door deze eigenschappen hebben verworven. Geen stad gaat haar vuurproef zo krachtig tegemoet, krachtiger dan haar roep verkondigt; zij alleen wekt bij de vijand die haar aanvalt geen bitterheid omdat hij door zulke tegenstanders wordt overwonnen, zij alleen wekt geen zelfverwijt bij de onderworpene omdat hij door onwaardigen wordt overheerst.
Groot zijn de symbolen, veelvuldig de getuigen van de macht die wij hebben gevestigd en waarom wij bewonderd zullen worden door de mensen van nu en later. Wij hebben geen Homeros nodig om ons te verheerlijken, geen dichter wiens woorden voor het ogenblik het oor zullen strelen, maar wiens voorstelling van de feiten de toets van de waarheid niet zal doorstaan. Want door onze durf hebben wij ons een weg gebaand naar elke zee en elk land, overal hebben wij onvergankelijke gedenktekenen gesticht van straf en van weldaad. Zo dan is de stad, waarvoor deze mannen in het besef dat zij haar niet mochten verliezen een dappere dood op het slagveld zijn gestorven en het is slechts natuurlijk dat wij allen die hen overleven bereid zijn ons offers voor haar te getroosten.
Daarom heb ik zoveel woorden over de staat gesproken; ik wilde aantonen dat voor ons meer op het spel staat dan voor anderen die deze voorrechten niet in dezelfde mate hebben en ik wenste de lofrede die ik nu voor de doden uitspreek met duidelijke bewijzen te staven. En inderdaad, het belangrijkste is hiermede gezegd. Ik heb de lof gezongen van onze stad; maar het waren de heldendaden van hen en van onze mannen zoals zij, die haar roem hebben gebracht (…).
Zo heb ik dan, de traditie getrouw, onder woorden gebracht wat ik passend achtte en wat daden aangaat: de doden zijn eervol begraven en de staat zal hun kinderen van nu af aan tot hun volwassenheid op zijn kosten opvoeden, een weldaad en een krans die hij uitreikt aan de doden en hun nabestaanden voor de strijd die zij hebben gestreden. Waar de beloning voor dapperheid het grootst is, daar zijn de beste burgers.
Vragen bij de Lijkrede van Perikles
1. Perikles prijst de stad Athene op allerlei manieren aan. Maak een lijst met de deugden van de stad.
2.
a.Welk gedrag van burgers keurt Perikles expliciet af als het gaat om het openbare leven?
b. Welke belangrijke plicht voor elke Atheense burger kun je afleiden uit de afkeuring bij vraag 2a?
3. Wat bedoelt Perikles met de uitspraak dat er ‘voor ons meer op het spel staat dan voor anderen’.
4. Perikles roemt de democratie. In een democratie bestaat een zekere opvatting over de mens. Welk mens- en wereldbeeld schetst Perikles in de Lijkrede.
5. Perikles spreekt over Homeros.
a. Hoe beoordeelt hij Homeros?
b. Verklaar deze beoordeling vanuit het mens- en wereldbeeld dat bij een democratie past.
Lang niet iedereen was het met Perikles eens. Plato, wellicht de mooiste bloem van de Atheense bloeiperiode, had felle kritiek op de democratie. Zijn ideale samenleving die hij schetste in zijn beroemde Politeia (ook wel De Staat of de Republiek genoemd) lijkt veel meer op Sparta. Vreemd wel, want de rigide Spartaanse maatschappij zou nooit de mogelijkheid hebben geboden aan Plato om zo vrijelijk zijn ideeën te ontwikkelen.
De strijd tussen Sparta en Athene in de Peloponnesische oorlog die woedde tussen 431 v. chr en 404 v. chr, werd door de enorme tegenstelling tussen Sparta en Athene veel meer dan een oorlog om de macht. Twee wereldbeschouwingen stonden tegenover elkaar. De open samenleving van Athene tegen de gesloten samenleving van Sparta. Democratie en vrijheid tegenover dictatuur en gehoorzaamheid. Alhoewel de politieke strijd om 404 eindigde in een overwinning van Sparta, is de ideologische strijd eigenlijk nooit geluwd. De gehele geschiedenis door hebben Sparta en Athene als voorbeeld gediend voor de ideale samenleving. De Westerse, vrije wereld ziet in Perikles haar grote voorbeeld. De Lijkrede is hiermee een van de belangrijkste teksten uit de Westerse ideeëngeschiedenis geworden. Het belang daarvan is nauwelijks te onderschatten. Een beroemde Duitse professor beweerde eens dat Europa bij de slag van Salamis door het oog van de naald was gekropen. Had het autocratische Perzie daar de Atheners afgeslacht, dan had de wereld er nu vast heel anders uit gezien. Geen democratie, geen filosofie, geen vrijheid, geen theater, geen geschiedschrijving, geen individualiteit. De bijdrage van de Atheners was zo volstrekt origineel, dat andere culturen er misschien nooit op gekomen waren. Ik ben het wel eens met die professor. Wie kennis maakt met de vrijpostige originaliteit van de Atheners moet toegeven dat er tot op de dag van vandaag maar weinig culturen en mensen bestaan die echt zo ver durven te gaan als de Grieken. De meeste culturen leunen op godsdienst, traditie, gehoorzaamheid en denken dat geld verdienen het belangrijkste is dat er bestaat. Dar dachten de Atheners wel anders over.
Sparta heeft als voorbeeld gediend voor minder fraaie regimes. In totalitaire staten zie je de nadruk op gehoorzaamheid terug, het belang van het leger, de soberheid en het ondergeschikt stellen van de individuele ontwikkeling aan de belangen van de gemeenschap. Ordnung muss sein!
Frappant is dat in één hetzelfde cultuurgebied van de Grieken, twee zo totaal verschillende samenlevingen konden ontstaan. Hoe kon dat? Helemaal te verklaren valt dat nooit. Dat komt vooral door de volstrekt originaliteit van de Griekse cultuur. In de politiek, literatuur, filosofie, wetenschap en kunst kwamen ze tot volstrekt nieuwe opvattingen over mens en wereld. Deze inzichten waren zo nieuw dat de frisheid ook 2500 jaar later nog steeds overweldigend is. Maar laten we eerst is nagaan hoe de bloeitijd van de Grieken tot stand kwam.
2. De Perzische oorlogen
Het begon met de Trojaanse oorlog. ´Vóór de Trojaanse oorlog schijnt Hellas nooit iets gemeenschappelijks ondernomen te hebben´, bericht Thucydides. De gezamenlijke strijd tegen Troje leidde zeker niet tot een politieke eenheid. De verschillen waren enorm. Vooral tussen Athene en Sparta. De Atheners waren de eerste die de wapens aflegden en overgingen tot een gemakkelijker en weelderiger leefwijzer. Ouderen onder de rijke standen gaven zich over aan verwijfdheid: ze droegen linnen chitons en staken gouden spelden door hun haarknotje. De Spartanen moesten daar niets van hebben. Ze kleedden zich eenvoudig en de rijkeren gedroegen zich zoveel mogelijk hetzelfde als het gewone volk. Lichaamsoefening was van groot belang bij de Spartanen. Je werd geacht voor alle ogen naakt je lichaam te trainen.
Er bestonden niet alleen verschillen tussen Sparta en Athene. De verschillende Griekse stammen spraken een ander dialect, hielden er uiteenlopende politieke inrichtingen op na en hadden andere cultuspraktijken. Maar er waren ook wel degelijk overeenkomsten tussen de verschillende Griekse stammen. Het Griekse gebied werd aangeduid met ‘Hellas’. ‘Hellas’ was zeker geen land, maar eerder een aanduiding voor een gemeenschappelijke cultuur, zoals we nu ook spreken over ‘Christendom’, ‘het Westen’ en de ‘Arabische wereld’. Herodotus, de geschiedschrijver uit de vijfde eeuw voor Christus, spreekt van ‘de bloed- en taalverwantschap van het Griekse volk, onze gemeenschappelijke heiligdommen en offerplechtigheden en onze gelijksoortige zeden.’
Een belangrijke overeenkomst was bijvoorbeeld het leven in een stadstaat, de polis. Vanaf ongeveer 800 voor Christus ontstonden er in Griekenland ongeveer 200 aparte staatjes. De Grieken noemde zo’n staatje een polis. Het middelpunt van polis werd gevormd door een versterkte heuvel die acropolis (hoge stad) werd genoemd. In tijden van gevaar kon je hier bescherming vinden. Er was ook vaak een tempel waar de belangrijkste godin werd vereerd. Een polis bevatte tevens een agora: een plein waar burgers elkaar ontmoetten om over bestuur te praten en te handelen.
Vanaf 700 ontstaan er in Griekenland echte steden. Er wonen ook wel boeren die hun land dicht bij de stad hebben, maar veelal oefenen de stadsbewoners andere beroepen uit. Het zijn ambachtslieden, kooplieden, kunstenaars, geleerden, soldaten, bestuurders, priesters en mensen die bij anderen in dienst zijn.
De steden kennen verschillende bestuursvormen: aristocratie, oligarchie, tirannie en democratie. Over de juiste vorm van bestuur werd hevig gediscussieerd. Waar de Grieken het wél over eens waren was het belang van de onafhankelijkheid van de stadsstaat, ongeacht welke bestuursvorm. Dit gemeenschappelijke belang dwong hen samen te werken tegen de dreiging van de Perzen. Dit grote rijk dat reikte van Indië tot Egypte had een almachtige koning die graag zijn rijk wilden uitbreiden. De Griekse poleis wilden onafhankelijk blijven.
In de loop van de 6e eeuw hadden de Perzen de Griekse koloniën in Ionie op de West-kust van Klein-Azie veroverd. In het jaar 500 kwamen de koloniën in opstand en kregen daarbij steun van Athene. Koning Darius I van Perzie onderdrukte de Ionische opstand en wilde daarna Athene straffen. In 492 werd het Perzische gevaar afgewend doordat de vloot in een storm bij de berg Athos werd vernietigd, waarna ook het Perzische leger huiswaarts keerde.
In 490 v. chr. volgde de tweede aanval, nu alleen over zee. Eretria werd uit wraak verwoest en daarna ontscheepten zich de Perzen in de vlakte van Marathon op ± 42 km van Athene. Onder de charismatische leiding van Miltiades wisten de Atheners deze poging te verijdelen. De Perzen werden volledig de pan in gehakt. Griekse schattingen – misschien niet helemaal waarheidsgetrouw – spreken van 7000 dode Perzen. Onder de Atheners waren slechts 192 slachtoffers te betreuren. Wat een vechtersbazen die Atheners. Hier moest het thuisfront van op de hoogte gebracht worden. De ijlbode Phidippides rende in één ruk naar Athene waar hij bij aankomst stierf van uitputting. Ter ere van hem werd bij de Olympische Spelen de Marathonloop ingesteld. Om de overwinning te vereeuwigen werd, zoals we van Perikles al vernomen hebben, het stoffelijke overschot van de Atheense helden ter plaatse in Marathon bijgezet in een nu nog bestaande grafheuvel.
Maar ook nu was het gevaar nog niet geweken. Koning Xerxes, Darius' zoon en opvolger, stuurde in 480 v. Chr. opnieuw een Perzisch leger en een vloot naar Griekenland. Hij bracht een leger van 70.000 man op de been en sloeg twee bruggen over de Hellespont, gemaakt uit aaneen geknoopte boten. Themistokles liet van de Atheense opbrengst van de net ontdekte zilvermijnen een enorme vloot bouwen om de Perzen te stoppen. Het orakel van Delphi had hem geholpen bij deze beslissing. Het orakel had gezegd:
"Nooit lukt het Athena om Zeus gunstig te stemmen, hoe ze ook smeekt en hem bepraat. Luister opnieuw naar
mijn woorden die sterk als het ijzer gesmeed zijn: nagenoeg niets van de grond die tot Kekrops' gebied hoort blijft gespaard, reikend zover als de heilige kloof en het dal van Kitharion. Toch schenkt Zeus aan zijn dochter Athena een uitweg: muren van hout, onverwoestbare redding voor u en uw zonen. Wacht niet de aartsvijand af die te paard of te voet naar u toekomt, talloze horden uit Azië…Vlucht en laat ze uw rug zien. Ooit komt de dag dat Atheners de Perzen het hoofd zullen bieden. Salamis, goddelijk land! U brengt dood aan de zonen der vrouwen, of als het graan van Demeter gezaaid wordt, ofwel in de oogsttijd."
Daar hoefde Themistokles niet lang over na te denken. ‘De houten muren’, dat moesten wel schepen zijn. ‘Salamis goddelijk land,’ daarmee bedoelde het orakel uiteraard dat de Atheners de stad moesten verlaten en met ze allen naar Salamis moesten vertrekken. Zo gezegd, zo gedaan.
Onder leiding van de Spartaanse koning Leonidas zou bij de pas van Thermopylai het Perzische landleger worden gestopt. De Grieken hielden dit zes dagen vol, toen de boer Ephialtes de Perzen een tweede pas wees. De Grieken zagen dat ze werden omsingeld, waarop koning Leonidas de Atheners wegzond en zich met 300 speciaal getrainde Spartanen en 700 Thespiërs doodvocht tegen de zegevierende Perzen. De Perzen trokken op naar Athene en vernietigden de stad. De vrouwen en kinderen waren gelukkig al overgebracht naar Salamis en de mannen zaten al in de oorlogsschepen. Themistokles stuurde een bode met een bericht naar Xerxes, waarin hij zich voordeed als verrader en raadde de koning aan om aan te vallen, omdat de generaals van Athene onderling verdeeld waren. De logge schepen van de Perzen voeren hierop de smalle baai van Salamis in, waar ze verpletterend door de kleine en wendbare Griekse schepen werden verslagen.
Hiermee was de oorlog voorbij. De Grieken zegevierden en de Perzen accepteerden na nog twee nederlagen bij Mycale en Plataea in 479 v Chr. hun verlies en trokken niet meer tegen Griekenland ten strijde.
Athene had zich in de strijd tegen de Perzen het sterkste getoond, vooral door haar buitengewoon sterke vloot. Om sterk te staan tegen een gevreesde nieuwe aanval van de Perzen verenigden Griekse stadstaten zich in 478 v. chr. In de Delische bond. Alle gebieden gaven geld dat werd opgeslagen in Delos. Vooral Athene gebruikte dat geld om zich sterker te maken met wapens en vloot.
3. De bloeiperiode van Athene
Na deze Perzische oorlogen is Athene een grootmacht. Samen met de bondgenoten tegen de Perzen wordt de Delisch-Attische Zeebond opgericht en uit de inkomsten hiervan worden in Athene de meest prachtige bouwwerken geplaatst. Uit heel Griekenland komen geleerden naar Athene en er ontwikkelt zich een welvarende democratie met rechtbanken en volksvertegenwoordigingen. Zodoende wordt Athene het nieuwe culturele en filosofische centrum. Met de cultuurverschuiving komt ook een verschuiving in de filosofie zelf tot stand. Waar de natuurfilosofen in de eerste plaats natuuronderzoekers waren, op zoek naar oerstoffen en bouwstenen voor de wereld (zie hoofdstuk 1), komen nu de mens en de maatschappij in de belangstelling.
Tijdens de Perzische oorlogen was Athene al een democratie. Solon wordt vaak de geestelijke vader van de democratie genoemd, maar eigenlijk komt Kleisthenes die eer toe. Het uiteindelijke resultaat van zijn hervormingen was in de beste Griekse traditie volstrekt origineel.
Hij maakte een nieuwe indeling van de bevolking om de macht van de adel in te perken. De absolute soevereiniteit kwam te berusten bij de Atheense Volksvergadering waarvan alle mannelijke, volwassen burgers van Attica rechtstreeks en zonder stelsel van vertegenwoordiging deel uitmaakten. Om te voorkomen dat de tirannie de volksvergadering verdreef voerde Kleisthenes het schervengericht in, het Ostracisme. Leden van de Volksvergadeirng mochten op een scherf de naam schrijven van de persoon die volgens hen een gevaar vormde voor de democratie. Werd deze persoon door de helft van de manen genoemd dan werd hij voor 10 jaar uit de stad verbannen.
Uiteindelijk bleek de verkiezing door middel van het lot een cruciaal mechanisme te zijn, want gelijkheid van kansen werd hierdoor van ideaal tot werkelijkheid. Even cruciaal was de betaling voor bestuursfuncties, waardoor ook een arme burger een bestuursfunctie kon vervullen. Hierdoor kon Perikles in zijn Lijkrede beweren dat armoede ‘voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel is, hoe gering zijn aanzien ook is’.
Directe participatie, dat was de sleutel tot de Atheense democratie; er bestond geen systeem van afvaardiging en evenmin een noemenswaardige ambtenarij. Iedere burger mocht de soevereine volksvergadering niet alleen bijwonen zo vaak hij wilde, maar hij had ook het recht om aan de discussie deel te nemen, om amendementen in te dienen en te stemmen, bij alle zaken, groot of klein, waarin een besluit van de overheid vereist was.
Een groot deel van het voorbereidende werk werd gedaan door de boulé, een raad van vijfhonderd burgers via het lot samengesteld voor één jaar. En ook hiervoor was iedereen verkiesbaar, zij het dat niemand er gedurende zijn leven meer dan twee keer lid mocht zijn.
De volksvergadering kwam in de open lucht bijeen, in de nabijheid van de Akropolis op een heuvel die de Pnyx heette. Daar kwamen duizenden samen om te discussiëren en besluiten te nemen. De volksvergadering kwam regelmatig bijeen, vaak wel zo’n 40 keer per jaar. De vergadering begon met gebeden en het brengen van offers aan de Goden. De boulé bepaalde wat er besproken werd. Iedere burger had het recht te spreken. Degene die wenste te spreken moet eerst een gewijde krans op zijn hoofd zetten.
Lang niet iedereen maakte van dat recht gebruik. Iedere mannelijke burger van achttien jaar of ouder kon de vergadering bijwonen wanneer hij daar zin in had. Vanzelfsprekend kwam er slecht een fractie van de veertigduizend met het recht daartoe opdagen, maar degenen die kwamen vormden bij die gelegenheid de ‘demos’. Thucydides vertelt welke moeite er getroost werd de soms onwillige burgers op de pnyx te krijgen. Als er een volksvergadering was, werden alle straten rond de agora afgesloten, behalve de straat die naar de Pnyx leidde. Mannen met rode touwen, waarvan de verf nog nat was, dreven de mensen het plein op. Als je bij aankomst rode strepen op je rug had, kreeg je een boete. De grote komedieschrijver Aristophanes nam de democratie ook graag op de hak. In een komedia voert hij een boer op die op de pnyx komt pleiten voor vrede. Verbouwereerd constateert hij dat er vrijwel niemand aanwezig is en hij brengt dan uit: ‘Waar is iedereen? Zeker aan het kletsen op de agora.’
De Atheense democratie had ook wel degelijke minpunten. Alle burgers mochten dan stemmen, het grootste deel van Atheense inwoners behoorde niet tot de burgers. Vreemdelingen en vrouwen hadden geen stemrecht. In de vijfde eeuw woonden er naar schatting zo’n 300 000 a 400 000 mensen in Athene. Hiervan waren er maar 35000 a 40 000 kiesgerechtigd.
De verschillen in rijkdom waren ook enorm. De rijken in Athene waren renteniers, vrij om zich aan de politiek of aan de wetenschap te wijden, of om hun tijd te verdoen. Werken deden ze in ieder geval niet. Dat was wel het laagste van het laagste, een echte Griek onwaardig. Het werk lieten ze door hun slaven doen. Net als de grote landgoederen werden hun ondernemingen beheerd door slaven met de functie van bedrijfsleider of voorman. Het grootste deel van de slaven werkte in de mijnen en de huishouding. Hiertoe behoorden ook duizenden niet-produktieve mannen en vrouwen die door de rijken er louter op na werden gehouden, omdat dit nu eenmaal ter statusverhoging in de mode was.
Maar zo slecht hadden de armen het nu ook weer niet. Ze vonden vaak tijd en gelegenheid om deel te nemen aan het openbare leven van de gemeenschap, zowel aan het bestuur als aan de talloze festiviteiten die te maken hadden met de culten van de staat.
4. Het wereldbeeld van de democratie
De volksvergadering was een massabijeenkomst, en wie daar het woord wilde voeren, moest in de meest letterlijke zin over redenaarsvermogen beschikken. Dat verklaart de populariteit van de sofisten. Zij waren rondtrekkende geleerden die hun brood verdienden met het geven van lessen, vooral in de retorica, de kunst van de welsprekendheid. De beroemdste van hen was Protagoras, een man die vooral bij Plato weinig goeds kon doen. Wanneer je alleen de dialogen van Plato over de sofisten leest, ontstaat een zeer negatief beeld van hen. Sofisten zijn volgens Plato arrogante praatjesmakers die van alles wat weten maar nergens diep over nagedacht hebben. Dat Protagoras een verhandeling over worstelen schreef, kon Plato nog wel accepteren: hij was zelf ook een goed sporter. Dat Hyppias er trots op was dat hij zijn eigen kleren kon maken, gaf Plato de ruimte voor het maken van hilarische grappen. Sofisten waren ook nog eens geldbelust: rijke jongelingen moesten hoge bedragen betalen om bij de sofisten in de leer te mogen. Plato deed dit gewoon gratis, maar hij kwam dan ook uit een rijke familie.
De sofisten hebben, Plato’s kritiek ten spijt, echt wel iets te melden. Hun praktische lessen passen goed bij een democratische samenleving waarin de ontplooiing van het individu van groot belang is. Iedereen kon door onderwijs vooruit komen. Niet alleen een gesloten elite. De sofisten verwierpen de duistere orakeltaal van de natuurfilosofen en stelde daar een kennisideaal voor in de plaats dat veel beter aansloot bij de menselijke maat. Protagoras vatte dit ideaal samen in de zogenaamde HOMO MENSURA stelling: de mens is de maat van alle dingen. Dit was 100% revolutionair! Niet langer waren de Goden maatgevend. Protagoras vond dat we eigenlijk niets konden weten over de Goden. Maar dan heb je er in het praktische leven ook niet veel aan. Door de sofisten werd niet langer de nadruk gelegd op orakels en duistere principes, tradities en onvermijdelijke natuurwetten. Nee, de mens zelf fungeerde als maat van de waarheid. Elk individu is de standaard van wat waar is voor hem zelf. Wat waar is voor de één kan complete onzin zijn voor de ander. Hierdoor verwerpen de sofisten de klassieke gedachte van een absolute waarheid. Alles is gerelateerd aan het gevoel van elke persoon op zich.
Doordat de sofisten vaak veel reisden konden ze ook verschillen onderscheiden tussen de culturen van de stadstaten. Ze hielden zich bezig met de vraag wat door de natuur bepaald was en wat door de maatschappij gemaakt was. Ze zetten hun vraagtekens bij begrippen als "natuurlijke preutsheid". In sommige culturen is het normaal om naakt te zijn, maar in andere culturen is er altijd sprake van een bepaalde preutsheid. De vraag is dus of er sprake is van natuurlijke preutsheid of van aangeleerde preutsheid. Zo brachten de sofisten in Athene discussies op gang over de maatschappij, met als kern dat het niet mogelijk is om absolute normen voor de waarheid, en dus voor goed en fout, te definiëren. Immers, die zijn voor ieder individu en elke cultuur weer anders.
Dit relativisme en de openheid om andere culturen te bestuderen was opnieuw een volstrekt originele stap van de Grieken. Dat had nog nooit iemand gedaan! De Grieken begonnen met uitgebreid etnografisch onderzoek en daarbij ontwikkelden ze tevens scherpe kritiek op hun eigen tradities, mythes en goden. Kom daar in onze tijd maar eens voor: het Westen, het Christendom, de Islam: allemaal zo overtuigd van hun eigen gelijk!
De kritiek op de eigen tradities, mythe en goden opende ook de weg naar serieuze geschiedschrijving. Ook dat is een Griekse uitvinding! Herodotus schreef een geschiedenis van de Perzische oorlogen waar inderdaad nog allerlei sterke verhalen instaan, maar Herodotus zegt er telkens wel bij dat het verzinsels kunnen zijn. De andere grote geschiedschrijver Thucydides zette het werk van Herodotus voort. Hij begreep wat Herodotus werkelijk probeerde te doen, namelijk de de voornaamste drijfveren van het menselijk gedrag blootleggen door op systematische manier verslag te doen van de oorzaken en het verloop van een grote oorlog. En dat dan niet op de manier van dichters met al hun creatieve vrijheid, en ook niet op de abstracte wijze, zoals in de filosofische discussies over mens en samenleving, maar concreet, nauwgezet en met de vereiste aandacht voor de logische opeenvolging en de samenhang daartussen. Opnieuw herkennen we hierin de woorden van Perikles die in zijn Lijkrede beweerde dat de verzinsels van Homeros afgedaan hadden. Een nieuw tijdperk was aangebroken.
Athene kwam tot een bloei die door geen enkele andere Griekse staat, of misschien wel nooit meer in de wereldgeschiedenis, werd geëvenaard. Ze was zoals we Perikles hebben horen zeggen de ‘leerschool van Hellas’. In twee eeuwen tijd bracht ze een ongelooflijke reeks van briljante schrijvers en kunstenaars, wetenschappers en filosofen voort. Van de stad ging een geweldige aantrekkingskracht uit op tallozen die daar niet geboren waren, en sommigen van hen vestigden zich er vrijwel permanent. De geschiedenis van Sparta steekt daar heel schril bij af. Deze gesloten samenleving die volledig gericht was op vechten heeft niemand voortgebracht die op cultureel gebeid ook maar iets gepresteerd heeft. Toch kende ook deze stad haar bewonderaars, waaronder Plato, wellicht de fraaiste bloem die de bloeiperiode van Athene heeft opgeleverd. Waarom toch?
Vragen:
1. Athene was een directe democratie waarbij het tegengaan van machtsmisbruik en ongelijkheid van groot belang werd geacht.
Leg aan de hand van de tekst uit hoe de Atheners dit realiseerden.
2. Noem twee praktische bezwaren tegen de Atheense democratie.
3. Waarom pasten de sofisten zo goed in de Atheense democratische cultuur?
4.
a. Leg uit waarom de ‘homo mensura’ stelling zo revolutionair is.
b. Noem tenminste twee gedachtesystemen (ideologieën) die de ‘homo mensura’-stelling afkeuren en leg uit om welke reden ze dat doen.
5. Waarin onderscheidt de geschiedschrijving van Thucydides zich van eerdere vormen van geschiedschrijving zoals de Homerische beschrijving van de Trojaanse oorlog.
5. De duistere kracht van Sparta
Sparta kent twee verschillende geschiedenissen: haar eigen historie en het beeld dat de rest van Griekenland en in latere tijden van de stad had. Dat maakt haar geschiedenis verward, tegenstrijdig, incompleet, temeer omdat de Spartanen zelf zich hulden in stilzwijgen. Die hadden het te druk met marcheren.
Tot ongeveer 600. v.chr. verschilt Sparta niet veel van andere stadstaten. Dan vindt er een abrupte breuk plaats. Dat had te maken met de Tweede Messenische oorlog, een strijd van 17 jaar tussen de Spartanen en de in opstand gekomen Heloten. Gewoonlijk werd een overwonnen volk dat tot slavernij werd onderworpen, verkocht en zodoende over het land verspreid. De Spartanen deden het anders. Ze lieten de overwonnen Heloten in hun eigen streek blijven. Zo bestond er altijd het gevaar van een opstand. Om dat gevaar te onderdrukken werd Sparta meer en meer een legerkamp.
Vanaf het midden van de zevende eeuw werd de Spartaanse burgerbevolking tot een korps van beroepsmilitairen die van jongs af aan werden gedrild in twee vaardigheden: militaire bekwaamheid en absolute gehoorzaamheid. De Spartanen hoefden, nee mochten, zich nergens anders op toeleggen. Kinderen werden op 7-jarige leeftijd uit huis geplaatst. Tot hun 20e leefden ze in de kazerne en kregen ze een militaire opvoeding. Omdat iedereen moest vechten ontstond er wel iets meer gelijkheid. Maar alleen de edelen mochten voorstellen bedenken voor volksvergadering. Anderen mochten alleen ja of nee zeggen tegen de voorstellen. Sparta had twee koningen. Hun belangrijkste taak was, hoe kan het ook anders, het leger aanvoeren.
De Spartanen leefden voortdurend in kampementen, voortdurend paraat om het op te nemen tegen welke vijand dan ook. In hun onderhoud werd voorzien door heloten en perioiken. Hun training werd verzorgd door de staat. Het gehele systeem werd beschermd tegen invloed van buitenaf, tegen buitenstaanders en zelfs tegen geïmporteerde goederen. Sparta was een gesloten samenleving.
De discipline van Sparta en haar militaire onverschrokkenheid maakte haar een machtige staat, ondanks de kleine omvang. De Spartanen werd ijzerharde tucht en zelfbeheersing aangeleerd door het sobere leven in de kazerne waar men gezamenlijk at van de beruchte zwarte bloedsoep. Te zwak bevonden kinderen werden na geboorte gedood. De stad had expres geen stadsmuren, want daarvoor dienden de kloeke borsten van de Spartaanse mannen.
Sparta was wél de meest geëmancipeerde staat in Griekenland. Nergens anders in Griekenland genoot de vrouw zoveel gelijkheid. Deze gelijkheid hield overigens niet meer in dat vrouwen net als mannen werden getraind tot soldaat. De vrouwen moesten Sparta verdedigen zodra de mannen weg waren. Kinderen werden door de Spartanen gezamenlijk opgevoed en getraind voor het leger. Dit om de onderlinge band te versterken, want een sterke onderlinge band leidt tot sterkere en meer gemotiveerde soldaten.
Spartanen hadden veel minder vrijheid dan Atheners. Ze deden ook weinig aan kunst en wetenschap. Ze stonden bekend om hun ‘laconieke’ taalgebruik (hun streek heette Laconia) wat zoveel inhoud dat ze niets te melden hadden. ‘Sparta werd meer een leger met een staat dan een staat met een leger,’ meende een schrijver uit de Oudheid.
Gehoorzaamheid, angst, discipline en kracht: zo valt de Spartaanse samenleving kort samen te vatten. Plutarchus maakt dit duidelijk met een angstaanjagend verhaal in zijn ‘Vier levens’.
De Spartanen kennen niet alleen een tempel van Angst, maar ook van Dood, van Lachen en van meer van dat soort verschijnselen. Angst vereren zij niet omdat ze denken dat angst schadelijk is, zoals de demomen die ze trachten uit te bannen, maar omdat ze vinden dat angst de hoeksteen van de samenleving is. Daarom decreteren de ephoren bij hun ambtsaanvaarding dat de Spartanen hun snor moeten afscheren en in hun eigenbelang moeten gehoorzamen aan de wetten. Dat van die snorren heeft, denk ik, de functie dat de jongeren zo leren zelfs in kleinigheden te gehoorzamen. Want wie het bangst zijn voor de wetten, zijn het dapperst tegen de vijand.
De massa heeft het meeste ontzag voor wie zij bang is. Daarom hebben de Spartanen een tempel van de Angst opgericht bij de eetzaal van de ephoren.
Tot zover de wondere wereld van Sparta. Hoe schril Sparta ook afsteekt tegen de luister van Athene: we moeten niet vergeten dat voor veel Grieken (Plato incluis) Sparta de ideale staat was. Sparta stond model voor de gesloten maatschappij, een maatschappij die bewonderd wordt door degenen die een afkeer hebben van een open samenleving met haar partijpolitieke gekibbel, met haar acceptatie van de demos als een politieke kracht, met haar telkens de kop opstekende ‘gebrek aan discipline’ en met haar erkenning van de waardigheid en de rechten van het individu. Deze twee tegenpolen kwamen in 431 v. chr. in een vernietigende oorlog terecht: de Peloponnesische oorlog.
6. De Peloponnesische oorlog
Wil je hier meer over weten, lees dan het boek van Thucydides maar.
7. Plato en de ideale staatsvorm
Plato is de belangrijkste filosoof aller tijden. De Engelse filosoof en wiskundige Whitehead beweerde ooit dat de rest van de Westerse ideeëngeschiedenis niet meer dan voetnoten zijn bij het werk van Plato.
Plato’s denken kent enerzijds een uitermate coherent mens en wereldbeeld waar vanuit zijn kritiek op de democratie als vanzelfsprekend voortkomt. Tegelijkertijd is Plato veel minder eenduidig. Zijn werken zijn vrijwel allemaal dialogen waarin een veelheid aan ideeën klinkt. Bovendien laat hij zijn leermeester Socrates als spreekbuis optreden. Daardoor is het vaak onduidelijk of Plato of Socartes nu aan het woord is, temeer omdat Socrates nooit iets op papier heeft gezet. Plato geeft zijn tegenstanders vaak zulke goede argumenten dat we gaan twijfelen aan de juistheid van Socrates’ standpunten. In die zin is heel Plato’s oeuvre een lofzang op de vrije meningsuiting waarin mensen hun ideeën uitwisselen. In Plato’s beroemde Politeia schets hij echter een ander soort samenleving. Daar is weinig plaats voor discussie.
Maar laten we eerst eens kijken wat Plato’s belangrijkste ideeën zijn. Plato had, zoals we al eerder gezien hebben, een bloedhekel aan Sofisten. Door hem is de benaming ‘sofist’ uitgegroeid tot een scheldnaam. Wat had hij tegen de sofisten? Plato vond het geldbeluste praatjesmakers, maar dat was niet ergste. Wat Plato vooral irriteerde was hun relativering van de Waarheid. De ‘homo mensura’-stelling maakte alles relatief. De waarheid kon zus of zo zijn, al naar gelang iemand zijn pet stond. Dat was natuurlijk onzin. Een beredeneerde mening heeft meer waarheid dan een uitspraak gedaan in onwetendheid. En als alles even waar is, hoe konden de sofisten dan zoveel geld vragen voor hun onderwijs. Nee, de waarheid is één en ondeelbaar. Als een rechtbank een uitspraak doet dan moet die vandaag, morgen en over 10 jaar nog steeds waar zijn. Of een gebouw blijft staan, een dam goed werkt, dat hangt echt niet af van hoe iemand zich op dat moment voelt. Point taken. De waarheid staat los van persoonlijke grillen. Als we de sofisten mogen geloven kan iemand zomaar ineens beweren dat iemand anders doden goed is, omdat hij dat zelf goed vindt! Onzin.
En de sofisten verkochten nog meer onzin, verpakt in mooie woorden. Een belangrijke kreet van de sofisten was dat de overwinning in een debat naar de beste spreker gaat. Het woord is een machtig wapen, en wie zich het beste van het woord weet te bedienen zal zegevieren. Dat druiste in tegen de waarheidsliefde van Socrates en Plato. Niet de meest gelikte debater moest winnen, maar de waarheid. Deze kritiek wordt op werkelijke fenomenale wijze door Plato uitgespeeld in zijn Verdedigingsrede (Apologie) van Socrates. Socrates is door de Atheense volksvergadering ter dood veroordeeld vanwege het bederven van de jeugd en het beledigen van Goden. Kwade tongen beschuldigen hem er ook van een sofist te zijn. Socrates pareert al die kritiek in een verbluffende opening die zowel verwarring sticht, de rechtbank en de aanklagers voor schut zet, alsook de eerlijkheid van Socrates bepleit. Luister maar mee:
‘Wat voor indruk, mannen van Athene, mijn aanklagers op u hebben gemaakt, weet ik niet. Maar ik ben door hen bijna aan mijzelf gaan twijfelen; zo overtuigend spraken zij. En toch, iets waars hebben zij, bij wijze van spreken, niet gezegd. Het meest verbaasde ik mij over één van de vele leugens die zij hebben verteld, toen zij u waarschuwden op uw hoede te zijn niet door mij te worden bedrogen, omdat ik een welsprekend man ben. Dat zij zich niet hebben geschaamd dit te zeggen, terwijl zij op slag en door de feiten zelf zullen worden weerlegd, wanneer ik zal blijken allerminst welsprekend te zijn, dat leek mij wel het meest schaamteloos. Of zij moesten welsprekend noemen iemand die de waarheid zegt. Als zij dat bedoelen, zou ik kunnen toegeven een redenaar te zijn, maar niet volgens hun opvatting. Zij hebben dus, zoals ik zeg, vrijwel geen waar woord gesproken. Van mij evenwel zult gij de volle waarheid horen; maar bij Zeus, Atheners, geen opgesmukte rede zoals die van hen, gesierd met mooie termen en frasen. Neen, gij zult horen gewone woorden zoals ze toevallig bij me opkomen, want ik heb vertrouwen in de rechtvaardigheid van wat ik ga zeggen.’
Op welsprekende wijze zet Socartes uiteen dat hij niet welsprekend is maar slechts de waarheid vertelt. Verwarrend. Maar Socrates stichtte graag verwarring. Zijn belangrijkste bezigheid was rondlopen door de stad Athene en vragen te stellen.
ZIE HIERVOOR DE DOCUMENTAIRE VAN ALAIN DE BOOTON.
Vragen bij de video van Socrates. Alain de Botton.
1. Op welke wijze probeert Socrates tot de waarheid te komen ?
2. Waarom hadden zoveel mensen een hekel aan Socrates ?
3. Beschrijf de vijf stappen van de Socratische methode.
4. Welke bezwaren heeft Socrates tegen de huidige democratie ?
Waar Socrates zich vooral bezighoudt met praktische vragen naar wat rechtvaardigheid is, was het waarschijnlijk Plato die reikhalzend uitkeek naar hogere sferen. Dit bracht hem tot het formuleren van de beroemde ideeënleer. Ook al lijkt het voor ons een volstrekt absurde opvatting, ze snijdt wel degelijk hout. Sterker nog, we maken er eigenlijk continu gebruik van.
Beginpunt is Plato’s kritiek op het wereldbeeld van Heraclitus. Tot op zekere hoogte accepteert Plato de ideeën van Heraclitus. De zintuiglijke waarneembare wereld was inderdaad aan permanente verandering onderhevig. Alles beweegt. Je stapt nooit tweemaal in dezelfde rivier. Maar Plato merkte terecht op dat we de wereld zo niet waarnemen. We zien overal overeenkomsten. Ondanks alle verschillen tussen mensen, paarden, koekjes, bomen enzovoort, herkennen we wel steeds dat het een PAARD is, of een MENS. Blijkbaar is er dus iets dat hetzelfde is, want hoe zouden we anders de overeenkomsten kunnen herkenen ? In de woorden van Aristoteles die de ideeënleer van Plato bespreekt :
‘Wil de kennis of het denken derhalve ergens betrekking op hebben, dan moeten er bepaalde andere, permanente entiteiten zijn welke los staan van de zintuiglijk waarneembare, want er is geen kennis mogelijk over dingen die voortdurend veranderen.’
Dat is wel een grote stap. De Waarheid is onveranderlijk (maar zo spreken we ook over waarheid. Ware liefde is voor altijd!!). Omdat de zintuiglijke wereld aan verandering onderhevig is moet de Waarheid wel bovenzintuiglijk zijn (denk aan de ziel die voor de christenen ook onstoffelijk is).
In ‘De wereld van Sophie’ wordt Plato’s ideeënleer uitgelegd aan de hand van het bakken van koekjes. De bakvorm is De Idee (de Ideale Vorm) van het koekje. De gebakken koekjes die ondanks de perfecte bakvorm toch allemaal anders geworden zijn, staan voor de zintuiglijke wereld. Elk afzonderlijk ding heeft zo volgens Plato een Ideale Vorm die alleen bestaat in een onstoffelijke Ideeënwereld.
Vreemd idee? Misschien wel. Maar bedenk dat wij in het beschrijven van die wereld ook gebruik maken van algemene ideeën. Wat te denken van “De Mens’, ‘De Vrouw’, ‘De Man’. Allemaal abstracte verzamelnamen die individuele mensen, vrouwen en mannen aanduiden. En wat bedoelen we eigenlijk als we zeggen: ‘Hij lijkt bijna wel de ideale man’? Hebben we het dan gewoon niet over hetzelfde als Plato?
Lees nu de Grotpassage uit je boek (Sfinx, pagina 143 en maak daar de onderstaande vragen bij.
1. Leg uit hoe Plato in deze tekst de betrouwbaarheid van de zintuiglijke waarneming ondergraaft.
2. Wat duidt erop dat de meeste mensen volgens Plato de waarheid niet onder ogen wilden zien.
3. Als de zintuigen je bedriegen, hoe en waarmee kun je dan wél tot de waarheid komen?
Vervolgens kun je aan de slag met de tekst waarin Plato zich uitlaat over de democratie. Gerard koolschijn heeft de tekst bewerkt, dus je leest niet de originele tekst van Plato. Let vooral op hoe Plato in zijn veroordeling van de democratie voor een samenleving pleit die wel erg op Sparta lijkt!!!
Vragen bij Plato en democratie. Uit: Gerard Koolschijn
1. Maak een lijst met bezwaren die Plato tegen de democratie heeft. NB: DIT ZIJN ER NOGAL WAT!
2. Schets kort het mensbeeld van Plato zoals dat naar voren komt uit deze teksten.
3. Plato doet in de Politeia een voorstel voor de inrichting van de staat aan de hand van de driedeling maag-vuist-hoofd. Bedenk welke drie klassen Plato voor zich ziet en welke klasse het voor het zeggen heeft.
Bronvermelding:
De tekst is bij elkaar gejat uit de volgende bronnen:
Thucydides – De Peloponnesische oorlog
Wikipedia
Sprekend Verleden, deel I
De Droom der Rede van Anthony Gottlieb
De Oude Grieken – Moses Finley
Athens, a portrait of the city in its golden age – Christian Meier.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten